door George Henkens
Als ik dit stukje begin te schrijven is het de 2de dag van het Conclaaf dat de opvolger van Paus Franciscus
moet kiezen. Dagelijks zijn er veel beelden te zien van het Vaticaan en heel vaak zie je mannen in een
prachtig uniform, de soldaten van de Zwitserse garde.
Een Zwitserse Garde is een bewakingseenheid, bestaande uit mannen afkomstig van Zwitserland. In het
verleden waren Zwitserse Garden in dienst van bijvoorbeeld de koning van Frankrijk, maar ook de Oranjes hadden Zwitserse hellebaardiers in dienst.
Heersers hebben vanaf de late middeleeuwen Zwitserse huursoldaten geworven. Deze mannen golden als trouw aan degene die hen betaalden en hadden geen band met het vaak oproerige volk. De Zwitsers waren trouw zo lang zij betaald werden; daaraan ontleent in Nederland het gezegde “geen geld; geen Zwitsers” een vertaling van het Franse “point d’argent, point de Suisse” (mij was dat gezegde niet bekend, maar wellicht dat u het wel kende en dan weet u nu waar het vandaan komt). Alleen de Pauselijke Zwitserse garde in Vaticaanstad, bestaande uit Rooms-Katholieke vrijwilligers, is nog in functie.
De Pauselijke Zwitserse Garde, Guardia Svizzera Pontificia, is de pontificale bewakingseenheid van Vaticaanstad. Hij bestaat uit Zwitserse rooms-katholieke vrijwilligers, die minstens 174 cm lang en tussen de 19 en 30 jaar oud zijn. Zij dienen minimaal twee jaar in het korps, wonen tijdens die periode in de kazerne en hebben gedurende deze jaren de Vaticaanse nationaliteit. Ze hoeven niet celibatair te leven, maar om te mogen trouwen, moeten zij minstens drie jaar gediend hebben en zich willen vastleggen voor
nogmaals drie jaar. Het salaris is niet hoog (in 2022 ongeveer € 1500), maar over dit salaris hoeft geen belasting betaald te worden, ook zijn kost en inwoning gratis, evenals een ziektekostenverzekering.
Verder krijgen de gardisten veel korting op uitgaven voor levensonderhoud. De garde bestaat uit 120 officieren en soldaten.
De paleis- en lijfwacht van de paus ontstond in 1505 toen paus Julius II 189 Zwitserse hellebaardiers vroeg om de Kerkelijke Staat te dienen. Het korps werd officieel opgericht in 1506. Het verdedigde paus Clemens
VII tijdens de Sacco di Roma op 6 mei 1527 toen de Duits-Spaanse troepen van de rooms-katholieke keizer Karel V plunderend door de stad trokken. Daarbij kwamen 147 gardisten om het leven.
De 42 overlevenden brachten de paus in veiligheid binnen de muren van de Engelenburcht. Ter herinnering aan
dit gebeuren worden nieuwe gardisten nog altijd op 6 mei beëdigd. In 2006 werd het 500-jarig bestaan
van de Zwitserse Garde gevierd.
De Zwitserse garde lijkt, voor buitenstaanders zoals toeristen, een folkloristisch overblijfsel uit het verleden
maar de gardisten zijn wel degelijk professionele militairen met een grondige militaire opleiding. Zo zijn ze uitgerust met de modernste wapens (onzichtbaar in de pijpen van hun pofbroek hebben ze altijd een automatisch wapen bij de hand), maar elke
gardist wordt ook getraind in het gebruik van zwaard en hellebaard wat nog steeds geduchte wapens zijn in handen van experts.
Overigens wordt het Vaticaan behalve door de Garde ook bewaakt door andere, onopvallend aanwezige, Vaticaanse veiligheidsfunctionarissen en de Vaticaanse gendarmerie. Dit legertje van het Vaticaan, was wel onvoldoende om – als het op vechten aankwam – de belangen van het Vaticaan doeltreffend te beschermen.
In de eerste helft van de 19de eeuw, bezat het Vaticaan grote delen van het huidige Italië.
Italië bestond uit tal van versnipperde staatjes en de gedachte groeide om er een eenheidsstaat van te maken. De Paus was vorst van de provincies Romagna, Marken, Umbrië en het patrimonium Petri (het erfgoed
van Petrus) dat was Rome en omgeving. Een blik op het kaartje leert dat dit echt een enorm deel van Italië is. De
voorvechter van deze eenheidsgedachte was koning Victor Emmanuel II, de koning van Sardinië. Daarnaast
speelde een vechtersbaas met de naam Garibaldi een belangrijke rol. Hij was erg tegen de Paus en hem was
het er vooral om te doen de Paus te onttronen. Victor, kon deze Garibaldi dus prima gebruiken om de Paus zover te krijgen dat die zijn gebieden opgaf.
Paus Paus Pius IX kan aanvankelijk rekenen op de steun van Oostenrijk en Frankrijk, maar die steun verdwijnt als Napoleon III
overloopt naar Victor Emmanuel. De Paus moet om zijn belangen te verdedigen een leger gaan formeren. Het
leger wat de Paus op dat moment had, bestond uit een kleine groep Franse en Belgische vrijwilligers (tirailleurs Franco-Belges genoemd). Aan dit corps wordt op 1 januari1861 de naam gegeven Pauselijke Zouaven. In alle landen verschijnen oproepen om jonge rooms katholieke mannen te verleiden dienst te nemen in het leger van de Paus. De vereisten waren:
Katholiek zijn
Een medisch onderzoek ondergaan
Minimaal 18 jaar oud, ongehuwd of een weduwnaar zonder kinderen
In regel zijn met de militiewetten
Toetreden voor 6 maanden, 2 of 4 jaar
Zich onderwerpen aan de militaire tucht.
Het kleine legertje van de Paus wordt in 1860 in de pan gehakt door een 6-voudige overmacht van Piementezen, waardoor de Paus in één klap Marken en Umbrië verliest. De Rooms Katholieken reagerengeschokt en er komen steeds meer vrijwilligers naar Rome om het bezit van de Paus te beschermen.
De jaren daarna blijft het relatief rustig, maar op 13 oktober 1867 vindt een grote slag plaats bij Monte Libretti. 800 zouaven
verslaan daar 1200 Garibaldisten. Het schilderij hier afgebeeld is van die slag en laat de bekendste Nederlandse zouaaf Pieter Jong zien, die met een geweer dat hij als knots gebruikte. Hij zou op deze manier 14 Italianen de hersens ingeslagen hebben
voordat hijzelf sneuvelde. Maar nog geen maand later is het weer flink raak, op 3 november
vindt de slag bij Mentana plaats. Mentana ligt vlak bij Rome. Het was dus voor elke partij van het grootste belang om hier het
gevecht te winnen.
De leuze van de Garibaldisten was daarom ook: Rome of de dood. Ze vielen met 15.000 man aan. Tegenover
hen stonden slechts 3.500 man, bestaande uit 1.500 Zouaven en als achterhoede waren er nog 2.000 in allerijl ontscheepte
Franse reservetroepen. Op eigen verzoek fungeerden de zouaven als voorste stoottroepen en de fransen zouden alleen
op het eind van de strijd in actie hoeven te komen. Het leger van de Paus sloeg de aanval af en Garibaldi en Victor Emmanuel hielden zich de volgende 3 jaar op afstand van Rome.
In 1870 hebben die inmiddels een strijdmacht bijeen gebracht van 60.000 man om de Paus eengenadeklap te geven. De 5.000 zouaven konden hiertegen geen vuist maken en het leger van de Paus werd verslagen. Na heel lang gepraat is uiteindelijk alleen het ministaatje het Vaticaan – zoals we dat nu kennen – als pauselijk bezit overgebleven.
De zouaven keerden na een korte krijgsgevangenschap in 1870 naar hun vaderland terug.
Hier bemerkten ze dat ze hun staatsburgerschap hadden verloren, want je mag niet in vreemde krijgsdienst. Deze mannen konden dus niet stemmen, dat vonden de meesten geen probleem want die mochten toch niet stemmen, want dat was voorbehouden aan de elite. In België werd dit vrij snel rechtgezet, maar dat was dan ook een Rooms Katholiek land. In Nederland had het heel wat meer voeten in aarde.
Mijn overgrootvader was één van die zouaven. Hij woonde in Geistingen een plaatsje in de buurt van Thorn (Limburg), maar net in België. Hij was één van de 7 zoons in een boerengezin van 11
kinderen. Vader was gestorven toen de oudste zoon 18 was en de jongens zorgden voor de boerderij. Moeder vond het goed dat de jongens zouaaf werden, maar wel één te gelijk. De oudste zoon moest op de boerderij blijven. Mijn overgrootvader nam dienst in
1866 (hij was toen 37 jaar) en vertrok via Brussel naar Rome. Ik denk dat hij nooit veel verder was geweest dan de nabij gelegen dorpen, dus het moet een indrukwekkende reis zijn geweest. Hij neemt deel aan de slagen bij Monte Libretti en Mentana en keert in 1868 heelhuids terug. Vervolgens gaan zijn broers. Ze komen allemaal heelhuids terug, ondanks het feit dat de laatste broer er was toen de Paus definitief werd verslagen.
Er waren ook talloze Nederlandse zouaven. Veel kwamen uit Noord- Holland waarvan Pieter Jong uit Lutjebroek de bekendste is
geworden. Zij verzamelden zich in Oudenbosch van waaruit ze via Brussel naar Rome vertrokken. In Oudenbosch staat ook de verkleinde uitvoering van de St. Pietersbasiliek uit Rome, maar dat heeft niets te maken met de zouaven. De zouaven uit Nederland verzamelden zich hier in een klooster. In Oudenbosch is het zouavenmuseum gevestigd.
Mijn overgrootvader is zouaaf als de slag om Monte Libretti plaatsvindt en hij neemt ook deel aan de slag
bij Mentana. Er is een brief bewaard gebleven die hij schrijft aan zijn familie op 11 november 1867, dat is
8 dagen na de slag bij Mentana. Deze brief is een terugblik op deze slag.
Rome 11 nov 1867
Beminde Familie!
Ik kom u nogmaals bekend maken den staat van mijne goede gezondheid, waarin ik mij bevind
en ik hoop hetzelfde van u te hooren. Op denzelfden dag, dat ik den laatsten brief geschreven
heb ‘s avonds om half zeven, hebben de Garibaldisten de caserne laten springen waar ik en
Coenen uit Neeritter in was. Daar zijn 32 dood gebleven en 18 gewond. Coenen en ik waren er
ook, maar wij zijn niet in het minst gewond. Op hetzelfde oogenblik was het in de gansche stad
revolutie, waar eenige mijner medebroeders het leven hebben gelaten; maar hun getal is zeer
weinig. De revolutie duurde zeven dagen en den laatsten dag is mijn oude kapitein zeer gewond,
waaraan hij na vier dagen is overleden; maar wij zijn de revolutie altijd meester gebleven en nu
is zij gansch gedaan eindelijk zijn de Franschen gekomen en nu is Rome zoo stil als een muis. Nu
verder den 3 november als de kermis in Geystingen geopend is, is hier de kermis ook begonnen.
Om 3 ure ’s nachts moesten wij al uit Rome zijn en niemand wist waarheen; maar ik dacht het zal
wel kort kermis zijn en het was ook zoo. Wij waren met 2000 zouaven, 1200 Zwitsers, en ruim
4000 Franschen en toen erop los. Als wij vijf uren buiten Rome waren een uur gaans van
Mentana, ontmoetten wij daar de Garibaldisten met een leger van 15000 man en het vuur begon
op een verschrikkelijke wijze. Het was toen half twaalf ’s middags. Wij zouaven waren voorop en
wij hadden drie uren alleen gevochten en wij hadden de Garibaldisten al een half uur achteruit
geslagen; toen kwamen de Zwitsers met hun 1200 man en om vier uur kwamen de Franschen
met hun Chassepot-geweren en het duurde tot na vijf en toen was die slag gewonnen en wij
maakten 2000 prisonniers. De dooden van de zouaven waren 24 en gewonden 70. Van de kant
van Geystingen en van onze bekenden zijn er geen gewond. Van de Garibaldisten ten minste 400
dood en gewonden ook wel zo veel. Het was avond en toen begon de armoede. Wij moesten
buiten slapen na omtrend 6 uren gevochten te hebben en dan geen glas water te kunnen krijgen
dat valt toch zeer hard: want als wij 1000 francs hadden gegeven dan hadden wij nog geen glas
water kunnen krijgen. De dorst was zeer groot en het was dien nacht ook nog zeer koud. Wij
hadden ook niets om te eten. ’s Morgens al zeer vroeg riep de kolonel: “naar Mentana,
zouaven!” En wij op reis. Daar hebben wij ieder een halve fles wijn gedronken maar om te eten
was er niets en toen naar Monto-Rotondo. Als wij daar aankwamen was het middag; maar daar
was ook niets te eten want als de Garibaldisten ’s nachts gevlugt waren hadden zij alles
medegenomen. Wij meenden hen nog daar te vinden, maar zij waren weg en hadden er niets
gelaten: geen vleesch, geen spek, geen brood, geen meel, niets was er te krijgen behalve 11000
karabijnen die zij in steek gelaten hadden, maar een karabijn om te eten is toch niet goed. Toen
wij in die stad kwamen riepen de burgers: Viva de zouaven! Viva de Franschen! En de witte
drapeau stond bijna op alle huizen, maar wat doen wij met al dat roepen, wij hadden liever dat
met brood gesmeten werd, maar daar was er geen. Ik en een kamaraad gaan om
levensmiddelen te zoeken in een huis kregen wij een stuk brood; toen gaan wij om vleesch. De
Franschen hadden ene koe doodgeschoten, maar daar konden wij niets van krijgen; maar zij
gaven ons drie pond lever voor 90 centimen. Wij gaan in een huis om te braden en die menschen
deden het met veel plezier en toen aan het eten en het was gelijk honig en de armoede was
dadelijk vergeten. De kerken van Monte-Rotondo zagen er schandaleus uit: de gouden gelons
van de kasuivels afgetrokken, de beelden van de heiligen gansch in stukken, de kerk ontheiligd, in
een woord: al wat de duivel hun ingeven kon, hebben zij gedaan.
Na twee dagen in Mont-Rotondo overgebragt te hebben zijn wij naar Rome teruggekeerd; een
deel der Franschen zijn daar gebleven. Nu geloven wij dat Garibaldi niet ligt meer terug zal
komen want hier zijn nu al 40000 Franschen en dat zal Garibaldi wat veel zijn. Garibaldi, zijne
twee zonen en zijne dochter, in tenue van officier, waren te Mentana bij hun gespuis, maar om
vier ure is hij met dezijnen naar Piëmont gevlugt. Hadde hij dit niet gedaan, hij zou Piëmont nooit
meer gezien hebben. Wij wisten niet dat hij erbij was voor ’s anderen daags. Zijn mannen zijn ’s
nachts gevlugt. Het gekerm der gewonden zal ik nooit vergeten; het was een laweit als een
oordeel, maar het was een wonder te zien, de gewonde zouaven kermden bijna niet, maar die
Garbaldisten tierden, riepen en kermden dat het niet was om aan te horen maar in het vuur
hadden wij geen compassie mede, maar als het vuur ophield, hebben wij dooden en gewonden
bijeengehaald, maar toch eerst die van onze kant en toen van de Garibaldisten; maar het zijn
menschen gelijk duivels, maar zij riepen toch om genade als wij er kort bij waren. De zieken zijn
allen te Rome in het hospitaal en worden zeer goed verzorgd, want de vrouw van den Minister
gaat alle dagen ernaar toe tot zelfs ook de Heilige Vader. Toen wij in Rome kwamen, kwamen
duizende menschen ons te gemoet en roepende: Viva de zouaven! Viva Pius IX! Wierpen zij ons
met manden rozen op ons.
Hier sluit ik mijnen brief in afwachting op antwoord.
Christiaan
Henkens
Uit zijn dienststijd is nog bewaard gebleven een op perkament geschreven verzoek om de Pauselijke
zegen en een volle aflaat in het stervensuur voor hemzelf en voor zijn familie in de derde graad (dus nog
geldig voor mij). Tijdens hun dienstjaren hadden de zouaven namelijk het recht om in één van de gangen
van het Vaticaan persoonlijk een verzoekschrift aan de Paus te overhandigen, wanneer deze zich van de
eetzaal naar zijn persoonlijke vertrekken begaf. De meeste zouaven maakten van hun verblijf in Rome
gebruik om deze geestelijke gunsten te vragen voor hun familieleden. Deze perkamentjes werden door
de Paus persoonlijk ter plaatse ondertekend.
Uit het dorp van mijn overgrootvader waren 9 mannen naar Rome geweest om als zouaaf te dienen. In 1934
zijn in de kerk van het dorp twee gebrandschilderde ramen geplaats om de nagedachtenis in ere te houden
aan deze bijzondere mannen. Het rechtse raam stelt de H. Petrus voor met een sleutel in zijn hand en op de achtergrond de St. Pieterskerk van Rome. Hij richt zichnaar de zouaaf in het linkse raam aan wie hij een
zwaard geeft. Op het linkse raam staat de geknielde zouaaf met een vaandel in de hand die het zwaard aanneemt. De ramen zijn door een kleinerraam in de vorm van een medaljon met het pauselijk wapen.


