Door George Henkens 2026
Het is alweer 72 jaar geleden dat de Watersnoodramp van 1953 plaatsvond. Nieuwerkerk aan den IJssel kwam toen weer regelmatig in het nieuws als het dorp waar een binnenvaartschip een gat in de IJsseldijk dichtte. Ik las ooit in een document van het Hoogheemraadschap, dat bij een dijkdoorbraak de Alexanderpolder vol zou lopen en het water maar 1,5m hoog zou komen te staan. Dat is toch wel wat anders dan wat veel mensen denken. Immers als je een polder op 6,7m minus NAP hebt, denken de meeste mensen dat het water bij een overstroming wel tenminste tot NAP zal komen te staan. Dat is ook zo, want NAP is de gemiddelde waterstand van de Noordzee.
Als je bedenkt dat een verdieping van een woonhuis 3m hoog is, betekent het dat je op het dak van een woning van 2 verdiepingen nog niet veilig zit. Even als referentie: bij de Februaristorm van 1953 was de hoogste waterstand bij Hoek van Holland 3,85m+ en bij Vlissingen 4,55m+ NAP.Dat het toch maar 1,5m hoog komt te staan, is een gevolg van het feit dat we de toestroom van water onder controle hebben. Er is geen open verbinding meer tussen de Noordzee en de dijk langs de Hollandse IJssel, dus de polder loopt vol met water uit de ringvaarten en water uit de rivieren in de buurt. De veiligheid van ons gebied wordt vooral bepaald door de Stormvloedkering in de Hollandse IJssel bij Krimpen aan den IJssel. Deze kering is het eerste grote werk dat na de Watersnood ramp van 1953 is uitgevoerd.
Waterstaat had van de dijkdoorbraak bij Nieuwerkerk geleerd, dat deze dijk een enorm groot gebied moest beschermen en dat we door het oog van de naald waren gekropen. De ingenieurs die het Deltaplan moesten ontwerpen hadden bedacht dat het slim zou zijn als de plaatsen waar het Noordzeewater Nederland binnen kon dringen, zouden worden afgedamd.Als je dat dan bij de monding deed en de duinen en dijken daartussen sterk en hoog maakte, was je eigenlijk klaar. Dit noemt men met een sjiek woord wel kustlijnverkorting.
Tja, dat was natuurlijk te simpel dat wisten die ingenieurs natuurlijk wel, want de rivieren moeten het water dat vanuit het achterland (Zwitserland,Duitsland, Frankrijk en België) door de Rijn en Maas ons land binnenkomt, wel kwijt kunnen. Daarnaast waren we maar wat blij met die open verbinding naar de zee, een groot deel van onze welvaart hadden we hieraan te danken.
Dus werden dammen meer landinwaarts aangelegd in waterwegen waar niet per sé beroepsscheepvaart kwam. Vanaf 1959 werden er heel wat dammen aangelegd, zoals: Zandkreekdam, Veerse Gatdam, Grevelingendam, Volkerakdam, Haringvlietdam en de Brouwersdam. Men bedacht een stormvloedkering, dat zou dan een afsluiting moeten zijn die alleen bij een stormvloed dicht zou gaan. Dit was een geheel nieuwe en nog niet eerder beproefde oplossing. En zo bedacht men stormvloedkeringen in de Hollandse IJssel, de Oosterschelde, De Nieuwe Waterweg en het Hartelkanaal.Als je een stormvloedkering niet dicht bij de Noordzee legt, betekent dit uiteraard wel dat dijken tussen die stormvloedkering en de zeearmen veel hoger moeten worden. Ging men aanvankelijk uit van 3,5m+, nu moesten ze naar 5,0m+.
Veel dijken zijn echter veel hoger, zelfs wel tot 12m+. De reden hiervoor is dat we ervan uit gaan dat de Noordzee een hoogste extreme waterstand zou kunnen hebben van 5m+. Maar als het stormt heb je golven en de golven rollen uit over de helling (het talud) aan de zeezijde. Hoeveel dat is, hangt af van de steilheid van het talud aan zeezijde en het kan wel 7m hoger zijn dan de extreme waterstand. Dus zeewerende dijken hebben wel een kruin op 12m+! Ook de wind heel veel invloed op de waterstand. Bij een oostenwind op het IJsselmeer stuwt het water naar Noord Holland en zorgt ervoor dat bijvoorbeeld bij Hoorn het water 1,5 m hoger kan komen dan bij winds l weer. Die ingenieurs moeten daar allemaal rekening mee houden.Het eerste werk van het Deltaplan was dus de stormvloedkering in de Hollandse IJssel.
In januari 1954 (dus al een jaar na de watersnoodramp!) werd al met de bouw begonnen en op 6 mei 1958 werd de eerste schuif voor de eerste keer neergelaten.
Het bestaat uit een kering op een hoogte van 5,0 m+. De kering is al jd ontworpen met 2 schuiven, één extra alleen voor extra zekerheid. Maar die tweede schuif werd pas in 1976 aangebracht.De schuiven zijn 80 m breed en 11,5 m hoog. Als ze naar beneden gaan, komen ze op een drempel die op 6,5m – NAP ligt. Het is niet moeilijk om uit te rekenen dat de bovenkant dan op 5,0m+ ligt.
De Hollandse IJssel kon om allerlei redenen geen dam worden. Allereerst is er veel beroepsscheepvaart. Daarnaast lozen alle polders die aan de Hollandse IJssel liggen, maar ook die aan Gouwe grenzen, hun water op die rivieren en dat water moet naar de Nieuwe Waterweg. Het water van de IJssel wordt door de steden gebruikt voor zuivering en koeling. Kortom veel redenen om te kiezen voor een stormvloedkering, die open en dicht gaat.
Naast de kering is aan de kant van Capelle een sluis gebouwd, zodat in het geval dat de schuiven gesloten zijn, schepen kunnen passeren. De Hollandse IJssel is ten slotte een belangrijke route voor de binnenvaart van Rotterdam, via de Gouwe naar Amsterdam. Normaal gesproken zijn de schuiven omhoog en kan de scheepvaart er gewoon onderdoor. Het Deltaplan richtte zich vooral op het water dat van de zee kant komt.
Maar de Hollandse delta speelt ook een grote rol bij de afvoer van water uit het achterland. Dit zoet water zorgt voor de overlast die we ons van 2022 herinneren in Zuid Limburg. De hoeveelheid water die riviertjes moeten afvoeren, gaat de capaciteit van dat riviertje te boven en het treedt buiten zijn oevers, zoals we dat zo mooi noemen. Vroeger leerden we dat de grote rivieren een winterdijk hadden en een zomerdijk en in het gebied ertussen stond in het najaar soms wekenlang water. Ik woonde in mijn middelbare schooltijd in Wageningen, op de Wageningse berg. De voet van de Wageningse berg was de winterdijk en elk jaar stond het water tot aan de voet van de berg. Daar stond de wasserij de Lelie die de was deed voor hotels, de universiteit en instellingen. De was werd dan met een boot naar een hoger gelegen deel gevaren waar nog een vrachtauto kon komen.
De laatste jaren is voor het water uit het achterland een programma “Ruimte voor de rivieren” uitgevoerd, dat er voor hee gezorgd dat er bij veel water uit het achterland, grote gebieden zijn die dat vele water aankunnen, zonder dat dit ernstige schade aanricht. Wij hebben daar hier geen last van, omdat de Hollandse IJssel zijn water niet uit dit achterland krijgt.
